Frontier Town - door Alexander del Prado | Gastblog 4 |

- Dit blog is geschreven door Alexander del Prado, singer-songwriter en bandleider van ‘the assorted travellers’. -

Frontier. Het is een Engels woord dat niet goed naar het Nederlands te vertalen is. Het omschrijft het laatste bewoonde gedeelte van een gebied voordat het verandert in een verlaten wildernis. Vanaf de ontdekking van het Amerikaans continent tot aan het eind van de 19e eeuw verschoof de frontier gestaag van de oostkust verder naar het westen, tot het jaar 1890. Toen besloot men dat er geen gebieden meer bestonden die wild en verlaten genoeg waren om de term te rechtvaardigen, en werd de frontier officieel gesloten. Maar gedurende het bestaan van dit geheimzinnige grensgebied bestond er onder velen de uitgesproken wens om er te gaan wonen. To start out West.

Ik stel me voor dat wanneer iemand destijds kenbaar maakte dat hij of zij de wens had om naar het westen te trekken er reacties konden worden verwacht als, ‘echt? Waarom dan? Er is daar toch niks?’
En in zekere zin wás er ook niks. Er was geen kerk, geen theater, geen nachtleven. Sterker nog, er waren geen winkels, geen publieke voorzieningen en er stonden geen huizen. En toch gingen ze. Duizenden, nee, honderdduizenden mensen. Ze kwamen uit New England, uit Virginia, uit de Carolina’s. En ook uit Ierland, Schotland, Engeland, Duitsland en alle andere Europese landen. Ook uit Nederland. Over de beweegredenen van deze pioniers zijn talloze boeken geschreven. Sommige daarvan staan in mijn boekenkast; veel ook niet. Hoe dan ook, ze gingen. Iets riep ze. Iets tussen alles en bijna niets. (Iets tussen Amsterdam en Emmeloord?)

  The Mosses Speese familie hebben zich, omstreeks 1850, gesetteld in Nebraska.

The Mosses Speese familie hebben zich, omstreeks 1850, gesetteld in Nebraska.

Als je wilde bidden dan kon dat onder een tentzeil. Wilde je een kerk, dan moest je die zelf bouwen. De planken moest je ook zelf zagen. Er was niks. Alles kon nog gemaakt worden. Alles moest nog gemaakt worden. En dat deden de mensen. En als zodanig bepaalden ze zelf hoe deze nieuwe wereld eruit kwam te zien.
En zo veranderden huifkarren in huizen, huizen werden kleine dorpjes, dorpjes werden steden. Bakens van... nieuwigheid, in een eindeloze zee van gras waar nu Texas, Kansas, Oklahoma, Nebraska, Montana, North-Dakota en South-Dakota liggen. De prairie. The Great Plains.

Misschien waren de eerste ‘kolonisten’ in Flevoland wel uit hetzelfde hout gesneden als de mensen die destijds de oceaan overstaken, naar Amerika, en toen steeds verder naar het westen trokken. In Flevoland was er namelijk ook niks. Hier kon ook alles. Kán alles.
Mijn ouders kwamen hier wonen in 1991, een jaar voordat ik werd geboren. Toen was Almere al lang niet meer het kamp op de rand van de wildernis, de frontier town, die ze aan het allereerste begin was. Er was al een winkelcentrum, een filmhuis en er waren een paar kroegen. Maar een grote stad was ze zeker niet, o nee. Misschien was het wel Abilene, Kansas, of Laredo, Texas. Of Omaha, Nebraska.

En ik snap ook wel dat de vergelijking een keer ophoudt. Om Almere als setting voor een western te gebruiken moet je wel goed gaar zijn. En laat ik meteen van de gelegenheid gebruik maken om te zeggen dat ik vind dat ons stadhuis (én de Voetnoot) qua architectuur aan een Sovjet- politiebureau doet denken. Maar als ik dan de oude foto’s van settler’s in Nebraska of Kansas bekijk, zwart-wit, met aangekoekte modder op hun laarzen, en ik hou ze naast de nieuwere foto’s van de eerste polderpioniers, dan denk ik vooral, ‘wauw, ze lijken op elkaar man. Cool.’

  Polderwerkers omstreeks 1944.

Polderwerkers omstreeks 1944.